zaterdag 19 januari 2013

Snippers van leven 15 - Les aan Übermenschen

Het tweede geval gebeurde een aantal maanden na de Duitse bezetting. Verschillende artikelen begonnen reeds schaars te worden. Ook rookwaren. Ze waren nog niet op de bon, daardoor kon men op een bepaalde dag in de week een lange rij mannen voor de tabakswinkels zien staan. Men had toen nog eerlijke winkeliers die, de op die dag ontvangen voorraad, rechtvaardig aan hun klanten rantsoeneerden. Een politieagent hield toezicht en orde bij de winkeldeur en liet paarsgewijs telkens de klanten naar binnen. Mijn vader was bijna aan de beurt en stond vooraan.
Toen kwamen die twee SS-ers. Ook zij wensten te roken. Met hautaine minachting schoven zij de politieman opzij, en, de lange rij “dummen Holländer” volkomen negerend, wilden zij de winkel instappen.
Maar dát was onrecht. En dáár was Pa. Breeduit versperde hij de arrogantelingen de weg. Wees met zijn vinger gedecideerd naar de staart van de queue en verklaarde met zijn beste Duits, die hij zwervend door hun Heimat had opgedaan: “Hinten anschliessen! Das müssen sie auch in Deutschland!”
De “Herren” stonden verbluft. “So was! Ungehört!” Eén hief de vuist in slaggebaar en brulde, “Los, weg Mensch!”
Maar het “Mensch” deed geen stap opzij. Verblikte of verbloosde niet en hield de arm, in een soort mislukte Hitlergroet, de wijsvinger gestrekt, naar het eind der rij wachtenden. Dáár was hun plaats.
Eén van de haast in woede stikkende Edel Germanen, trok zijn pistool en zette het vader op de borst. Deze blikte minachtend op het schietwapen neer. Toen knoopte hij bereidwillig het overhemd los, trok de panden van elkaar als om de kogel beter doorgang te verlenen en sprak: “Na! Schiesst mir durch den Brüst! Ich verstehe kein Unrecht!”

Het had zijn einde kunnen zijn indien niet andere mannen hadden ingegrepen. Tientallen handen pakten hem beet en trokken hem weg. Voor díe overmacht moest hij wijken, maar met ere. Hiervoor week hij, maar niet voor onrecht!

Snippers van leven 14 - Strijd tegen onrecht

Mijn vader was een wonderlijk man met een gespleten persoonlijkheid. Hij kon enerzijds bijzonder ernstig zijn, maar anderzijds was hij een grote kwajongen. Maar een ding verafschuwde vader hartgrondig. Onrecht! Hij kon het niet zien of velen. Of het hemzelf of een ander werd aangedaan, was hem egaal. Hij nám het niet, nooit en onder geen enkele voorwaarde. Talloos zijn de keren dat hij doldriest tegen echt of vermeend onrecht ten strijde trok.
Drie voorvallen van zijn Don Quichotte -achtig optreden wil ik vermelden:

Het eerste bracht hem in conflict met Rooie Sien. Dat was de benaming die wij, kinderen, aan onze schooljuf hadden gegeven. Haar voornaam luidde “Cinderella”. Een mooie naam voor een “bekakt” (Bargoens voor verwaand) vrouwelijk wezen waar niet veel schoonheid aan te ontdekken was. Het was een deftig mens met voorname allures en rossige haren, vandaar die bijnaam. Op haar gestalte was letterlijk en figuurlijk nooit een man gevallen. Zij had de huwelijksboot gemist en langzaam verzurend zich daarbij neergelegd.
Zij bezat een fijn onderscheidingsvermogen voor de betere en mindere klasse. Zo zou ze nooit een kind van gegoede burgers een lichamelijke afstraffing toedienen. Daarvan konden wel de arme kinderen genieten. Zo kon ze mij, als klein plebejertje, hoewel ik toegegeven vaak straf verdiende, op een pijnlijke en geniepige manier aan het oor trekken. Ze zag letterlijk kans mij als een konijn, halverwege uit de bank te beuren. Nog ben ik van mening dat hierdoor mijn ene oor groter is dan de andere, daar zij haar knokige duim en wijsvinger met de kracht van een nijptang, steeds op hetzelfde oor schroefde.
Aanvankelijk verzweeg ik deze ervaringen voor mijn vader. Mij beklagen over verdiende kastijdingen had geen zin. Hij was van oordeel dat wij, zo wij straf ontvingen, dat wel verdiend zouden hebben. Tenslotte wist hij drommels goed wat voor vlees hij in de kuip had.
Maar… ook mijn broer én de andere arme “koters” (Bargoens voor kinderen) genoten die speciale behandeling! Nóóit de beter gesitueerden. En dát feit kwam hem ter ore. Het veranderde de zaak op slag. Hier werd onrecht gepleegd. Daartegen diende onverwijld
opgetreden te worden. Hij dééd het. Op zijn manier!
‘s Morgens posteerde hij zich breed en languit voor de school. Na het luiden der bel formeerden de leerlingen een lange rij. Aan het hoofd liep Rooie Sien. Twee leraren opzij. Zo stak de stoet de straat over die speelplaats en school scheidde. En daar, op de stoep van de school wachtte het noodlot, in gestalte van mijn Pa, op de deftige schooljuf.
Parmantig voor de rij uittrippelend, werd haar weg plots geblokkeerd door een boom van een vent, die haar met een kort handgebaar staande hield. Voor het onthutste mens besefte wat er gebeurde, hadden het klein formaat kolenschoppen van mijn ouwe heer, haar beide oren in een knellende greep genomen. En ik verzeker u dat er kracht in die handen zat!





Onder het uitroepen van het luide verzoek: ”Wil jij in het vervolg van de oren van mijn jongens afblijven”, begon hij het hoofd in heftig tempo heen en weer te schudden. Zo liet hij het gemartelde lichaamsdeel langdurig verwoed “neen” schuddende bewegingen maken. Het geschiedde zó heftig, dat de solide vastgespelde haarknot in de nek losraakte en de rossige haarslierten ritmisch mee deinden.
Zij heeft nóóit meer aan oren getrokken.

Snippers van leven 13 - Een doldrieste vader

Oorspronkelijk afkomstig van het oprechte Groningse land, was hij op zijn achttiende aan het zwerven geslagen. Na jarenlange omzwervingen o.a. in Duitsland, was hij na de Duitse nederlaag in de eerste wereldoorlog en om de daaruit voortvloeiende chaos te ontlopen, weer naar Holland gekomen.
Hij belandde tenslotte in het kleine stadje waar hij, moe van zijn avonturen, de rustige haven van het huwelijk invoer. Hij ontmoette er mijn moeder, die hij, impulsief als hij was, na een zéér korte verkering van nog geen veertien dagen huwde. Het was typerend voor hem en zijn manier van doen en denken. In de volgorde zoals het hier staat, deed hij ook: eerst doen, dan denken.   
Het heeft hem veel builen en butsen opgeleverd en was een bron voor talloze conflicten. Hij ging echter onder de gevolgen van zijn onnadenkendheid en overhaasting zelden diep gebukt. Spijt was een emotie, die bedenkelijk kort huisvesting in zijn binnenste had. Het strekte hem niet tot lering en welgemoed stevende hij op zijn volgende dwaasheid af.

Hij was een wonderlijk man met een apart soort humor, vol dolle streken en vreemde invallen. Eerbied voor orde en gezag bezat hij niet en hij trok zich niets aan van de mening der brave medeburgers. Hun oordeel over hem liet hem Siberisch. Hij deed wat lust en luim hem ingaf en bekommerde zich niet in het minst om de gevolgen van zijn vaak rare streken.

Hoewel hij sterk was als een beer, wendde hij zijn krachten alleen in uiterste noodzaak aan tot verrichten van arbeid. Daardoor, en door de grote werkeloosheid in die tijd, was het bij ons thuis armoe doorlopend troef. Veel genoegens die andere kinderen hadden, zoals goede kleding, degelijk voedsel, goede verzorging en behuizing moest ik ontberen. Mijn speelgoederen waren afgedankte spullen van de vuilnisbelt. Nee, zijn vaderlijke zorg strekte zich uit tot het voederen van vrouw en kroost en het verschaffen van de direct noodzakelijke levensbehoeften. Daarmee hield voor hem de kous op. Zelf hechtte hij in ’t geheel niet aan aardse goederen en hij nam zonder meer aan dat wij die opvatting deelden.
Toch hield ik van hem. Misschien ook omdat hij, ondanks zijn forse gestalte, in zijn hart kind was en kind bleef. Met volle overgave speelde hij de huiselijke spelletjes mee.
Zo deden wij op een avond “pandverbeuren”. Hij werd daarbij gedwongen, om zijn pand terug te krijgen, voor “visventer” te spelen. Zonder aarzelen plaatste hij een stoel met de zitting op het hoofd, stormde de deur uit, liep het huizenblok om en brulde met stentorstem door de straten: “Bot! Bot! Levendige bot!!!”
Daar er die avond druk wandelverkeer was, baarde hij een zeker opzien. Het voorval staafde de mensen in hun overtuiging, dat hij “lijp” was (Bargoens voor niet wel in het hoofd). Dat deerde hem niet. Het kwam zelfs niet ongelegen, omdat het hem een vrijbrief verschafte voor verdere gekke kuren, die niet helemaal door de beugel konden.

Hij had een klein borstelig snorretje en sluik, wat schuins over het voorhoofd vallend haar, hetwelk hem een treffende gelijkenis met Adolf Hitler verleende. Nou, wat rare streken en capriolen betrof, konden ze elkaar de hand geven.
Verder bezat hij onwaarschijnlijk lange armen. Een curiositeit die hij verklaarde verkregen te hebben doordat hij als zestienjarige jongen wekenlang zware kruiwagens gereden had voor een Groningse kleiboer, tegen kapitale beloning van twee kwartjes per week. Voor de rest van zijn leven werd hij hierdoor schichtig voor kleiboeren en werk en hield zijn handen, die net als bij een gorilla bijna tot de knieën reikten, zoveel mogelijk in de zakken. Alleen als hij liep, zwaaiden zijn armen mee met de stappen van zijn lange benen. Hij liep altijd kaarsrecht, wat de lange gestalte met de brede schouders nog imponerender maakte.
Wanneer hij een borrel teveel ophad, was het met hem kwaad kersen eten. Wee degene die in zijn vaarwater kwam en hem ooit eens iets geleverd had wat naar zijn mening niet in de haak was.
Toch was hij, wat men noemt “geen kwaaie vent” en goedmoedig van aard. Hij kon veel hebben, liet zich vaak jennen en voeren – zoals in het stadsjargon de kleine plagerijtjes werden genoemd – en liep wanneer het hem te bont werd met een schouderophaal weg. Waarschijnlijk vreesde hij zijn formidabele kracht en wat hij daarmee uit kon richten als hij werkelijk kwaad werd. In drift ontstoken kon hij als een alles vernietigende orkaan losbarsten en een indrukwekkende ravage achter laten.



Snippers van leven 12 - Wonen in een loods

De exacte plaats waar ik de kleuterjaren doorbracht, was een…gemeenteloods. Een opslagplaats voor allerlei materiaal die de “Dienst Gemeente Werken” benutte en door de mensen “De Schuur” genoemd.
De loods stond aan de buitenzijde van het stadje, dicht tegen de bultige groene wallen van de westelijke bastionmuur. Een lomp geval, uit grijsgroen geschilderde planken opgetrokken, steunend op een ruw gemetselde fundering bestaand uit grauwe basaltblokken. Verweerde donkerrode dakpannen bedekten het spits toelopende dak en gaven een povere beschutting tegen de regen, zodat mijn moeder bij iedere bui in de weer was met potten, pannen en emmers om het ongewenste douchewater op te vangen. Het gammele bouwsel zat vol kieren waardoor het tochtte als de hel.
Aangrenzend lag een lap grond, met onkruid overwoekerd en door een roestig hek omheind. Aan de andere zijde stond een klein, bij die loods behorend huisje, meer een gemetseld schuurtje. Daarin was slechts één raam, maar wel twee openslaande deuren. Het was daar neergezet met een luguber doel, dat u straks duidelijk zal worden. Tenslotte was er aan de zuidzijde een open ruimte, omgeven door een bruin geteerde schutting. Het diende tot opslag van zand, grind en stenen, door de Gemeente Werken gebruikt bij het onderhoud der wegen.

De indirecte oorzaak dat ik op die vreemde plaats terechtkwam, was mijn vader. Direct omdat hij mij verwekte, maar ook door de klucht die daaraan vooraf ging. Een meesterzet waarmee hij de ambtenaar belast met de huisvesting der burgers, glansrijk schaakmat zette en ons in die schuur deed belanden.
Het had een wonderlijk voorgeschiedenis. Hierdoor moet ik eerst iets naders vertellen over het “gezinshoofd”.

Snippers van leven 11 - Het loze vissertje

Vissen bedreef Boko met hartstocht en volledige overgave. Bijkomstigheden als “gesloten vistijd, verboden viswater en visvergunning ”, vermochten hem geenszins van zijn hobby af te houden. In alle gemoedsrust wierp hij het angeltje uit op alle plaatsen, in alle wateren en alle tijden die hij daarvoor nuttig achtte en een goede vangst verwachtte. Hij had daar neus en oog voor. Op plekken waar sinds heugenis nooit meer dan een pieterig vorentje was gevangen, sleurde hij karpers als vloermatjes uit hun natte element. Vaak benutte hij een “Pieremegoggel” (Bargoens voor wrak bootje) dat hij op onverklaarbare wijze drijvend wist te houden.

Er was een eilandje in de buitengracht, een zo ijzingwekkend streng verboden visplaats als de poort van de hel voor een misdienaar. Toch gebeurde het dat Boko uitgerekend dáár en ook nog eens buiten het visseizoen,  zijn angeltje had uitgeworpen. Dat hij in het snotje zat als een paalzitter op een vlaggenmast, scheen hem niet te deren. Gescheiden van de wal door vele meters breed water, zat hij in alle rust de visjes te voeren. Het was te gek. Dat moést stuklopen. Hij kon toch weten dat politieagent “De Neus” daar dagelijks op weg naar het
bureau voorbij kwam?
Hetgeen onvermijdelijk gebeurde. De politieman naderde, bleef staan en keek met open mond en onverholen verbazing naar de onverstoorbare visser. Dat was toch bij de wilde konijnen af! Hij posteerde zich wijdbeens aan de waterkant, vormde de handen tot een toeter om zijn stemvolume verder te laten dragen en loeide: “He jij, hier komen!!”
Boko keek geïnteresseerd op naar de rustverstoorder. Hij herkende zijn speciale aartsrivaal, die hem al menigmaal vergeefs achter de vodden had gezeten en besloot de schreeuwer te negeren. De Neus zoog de longen vol en galmde ten tweede male: “He, jij daar! Hoor je mij niet? Hier komen zeg ik!”
De aangeschreeuwde keek de schreeuwlelijk over het watervlak heen aan en maakte vaag onmachtige gebaren, die er op moesten duiden dat er iets aan vaar- of roeigelegenheid mankeerde. Hij wóu wel komen, maar kón niet.
Daar wist de Neus raad op. Als de berg niet naar Mohammed kwam, dan kwam Mohammed wel naar de berg. Een paar honderd meter verder woonde broodvisser van Rooyen, bijgenaamd Henk de leugenaar, die roeibootjes verhuurde. Het duurde niet lang of de Neus kwam, als een torpedoboot de golven doorklievend, op de rustig voorthengelende Boko afstormen.
Reeds op afstand deelde hij de pias mede dat hij er óp en vóór de bijl ging. En zijn hengel kon hij ook wel gedag zeggen. Het mocht Boko niet verontrusten. Toen de man zijn handen naar het visgerei uitstrekte, belette hij hem dat en sprak kortaf: “Man, je kent je dienst niet. Eerst bekeuringen schrijven, dan pas mag je in beslag nemen”.
Nou, daar kon aan gewerkt worden. Toen aan de formaliteiten was voldaan, strekte de Neus begerig de handen uit naar de hengel en poogde het simmetje op te halen. Het ging zwaarder dan hij dacht. Toen het geval boven water was, staarde hij onthutst naar een welgeschapen baksteen, die in plaats van de haak aan de lijn bungelde.


Knappe juridische koppen mogen trachten het hiaat in de wetgeving op te vullen, die geen mens verbiedt te pogen met een baksteen vis te verschalken. Hier was geen strafbaar feit gepleegd.

Snippers van leven 10 - Boko

Boko, de vriend van mijn vader was een mannetje met een licht gebogen gestalte, klein van postuur en moeilijk te schatten leeftijd. Op zijn aapachtige tronie droeg hij een permanent onnozele grijns, waarmee hij de mensen volkomen misleidde. Hij had zware kaken, een sterk roofdiergebit met dracula-achtige hoektanden, terugwijkend voorhoofd, hoge jukbeenderen, een rare platte neus en ronde, in diepe kassen rollende oogjes, waardoor hij het typisch uiterlijk van een Mandril-aap bezat. Zo ooit in een verre toekomst een antropoloog zijn schedel zou opspitten, is er grote kans dat de geleerde wereld het restant van Boko’s malle kop juichend als “missing link”, de ontbrekende schakel tussen aap en mens zou begroeten.

Boko was een pias, een clown, een wijze dwaas, hoe paradoxaal dat ook klinkt, met verstand van gek doen en speelde als het hem te pas kwam de rol van idioot meesterlijk. Zijn voorkomen, met de onwaarschijnlijk grote mond, die hij in passende momenten van oor tot oor opentrok en een komiek borstelig kuifje, deed denken aan een clown die zich gehaast en onvoldoende had afgeschminkt.
Hij stoorde zich aan politie, wet  noch gebod. Met eerstgenoemde lag hij vanwege zijn stroperijen, voortdurend overhoop. Zijn vindingrijkheid om hen dwars te zitten was onuitputtelijk. Ook verstond hij de kunst gek te doen en zich dom te houden als dat in zijn kraam te pas kwam.
Toen hij eens om een van zijn streken voor “meneertje” (Bargoens voor rechter) was gevoerd, bracht hij de magistraat in staat van razernij door op iedere vraag, die de Edelachtbare hem stelde en waarop deze een redelijk antwoord verwachtte, hem de gesloten vuist horizontaal toe te steken met de absoluut niet ter zake doende wedervraag: “On of eef?”.
Na opening van de hand bleken zich daarin een afwisselend aantal even of oneven knikkers te bevinden. Daar het rechterlijk hoofd niet stond naar kroegspelletjes, werd hij gezwind door een psychiater meegevoerd om zijn geestelijke vermogens te testen. Terwijl dat geleerde heer voor hem uitstapte in de lange gang van het gerechtsgebouw, porde hij de wroeter in de warwinkel van de menselijke geest, niet bepaald zachtzinnig van achter met de wijsvinger tussen de ribben onder het jolig uitroepen van: “Kiele- kiele!”
Het kon niet uitblijven. Diens diagnose luidde na amper onderzoek: “puberaal psychotisch” d.w.z. “geestelijk onvolwassen”, oftewel “mesjokke” (Bargoens voor knettergek) en de rechterlijke uitspraak: “Vrijspraak wegens gebrek aan verstandelijke vermogens”.

vrijdag 4 januari 2013

De waterende aarde



WATER IN DE AARDE


De waterende aarde en de zondvloed

Hetgeen ik wil publiceren, is een eigen visie, en niet wetenschappelijk. Dat kan ook niet want schrijver dezes genoot slechts  5 jaar lager onderwijs en werd op 13 jarige leeftijd door een gramstorige hoofdonderwijzer, met een schop onder het zitvlak van zijn school verwijderd. Dus ik ben niet "Universitair onderricht" .
Wat ik schrijf is mijn mening. Een ieder mag daarover denken wat hij wil en trachten het te weerleggen. Wel moge ik vermelden dat hetgeen ik schreef tot stand kwam na veel zoeken  en uitvoerige studie van de Bijbel en andere geschriften en gesprekken met de Grote Baas.

Wij beginnen met de Zondvloed.
Het is niet gepast deze grootste ramp uit de menselijke geschiedenis, waardoor de hele santenkraam aan mensen en dieren kopje onder ging, naar mijn gewoonte, met wat humor te behandelen. Ik zal trachten dat te vermijden.

Men kan rustig stellen, dat Moeder Aarde, die al eeuwen en eeuwen door het Heelal wentelt, bevolkt met vreemde kostgangers, die door bemanningen van vliegende schotels, een "raar diersoort" kan worden genoemd, zo niet een waterhoofd, dan toch wel last van waterzucht heeft.

Volgens de Bijbel, een boek die voor velen net zo boeiend is als een telefoonboek en "onzinboek" , maar waarin, of men dat boek geloven wil of niet, veel wonderlijke zaken staan, kreeg zij eenmaal de gelegenheid uit een barstend volle blaas een gigantische plas te doen.
Bij de Zondvloed! Al het ingehouden water mocht zij lozen via de Kolken der grote Diepte die "openbraken" (Genesis 7:11) Nou, dát was even een opluchting!
Zo’n kans heeft ze daarna niet meer gehad. Toegegeven: Ze mag van de grote Maker nog steeds een flinke plons spuien via de "bronnen"en haar plas diep uit de aarde laten stromen.
Als voorbeeld nemen we de Niagara waterval die gevoed wordt door de grensrivier Niagara tussen VS en Canada, die de verbinding vormt tussen het Erie-meer en het Ontariomeer. Via een zich vernauwende stroom stort het water bruisend van 47 meter hoogte in een hoeveelheid van 15 miljoen liter per seconde naar beneden. Hier wordt dus een goed gevuld piespotje omgekiept! Maar... wáár komt al dat water vandaan? Wáárom loopt het Erie-meer nooit leeg? Ook in Zuid Amerika en Afrika storten woeste watervallen vanaf hoge kale rotsen naar beneden. Wederom, waar komt dát water vandaan? De Nijl, de langste rivier ter wereld is 6671 Km lang en ontspringt uit het Victoria meer. Ook dát meer loopt nooit leeg, ondanks de geweldige massa water die uit haar geput wordt. De Amazone de grootste rivier in Zuid Amerika, ontspringt in het kale Andes gebergte. Zij heeft het grootste stroomgebied en de grootste afvloeiing ter wereld. Men beweert, dat zij gevoed wordt door vochtige dampen komend uit de zee. Maar... kan daar die grootste binnenzee ter wereld uit ontstaan? De Colorado (Indiaans woord voor gekleurde rivier) ontspringt bij de Rocky Mountains . Haar water voedt over 2250 km een groot, veelal droog gebied en het dorre Colorado plateau om uiteindelijk in de Golf van Californië uit te monden.
Nogmaals, waar komen al hun gigantische watermassa’s vandaan? Gevoed door smeltend gletsjerijs of enorme sneeuwmassa’s van het hooggebergte? Dat is in alle genoemde beschrijvingen, niet het geval!
Bij hùn oorsprong of bron, is géén gletsjer-ijs aanwezig, noch sneeuw! Nog meer water sroomt met donderend geweld uit de Iquazu watervallen.(Iquazu wat "de grote wateren" betekent  in de Braziliaanse taal). Zij zijn een wereldwonder. In omvang 4 x zo breed als de Niagara waterval en zij vervoeren 60.000 ton water per seconde! Ten tweede male: Waar komt al dat water vandaan? Daar is de Angel waterval in Venuzuela. Heeft die naam te danken aan James Angel, een vlieger die er overheen vloog op zoek naar goud.  Die waterval is de hoogste vrij vallende waterval ter wereld..Ontspringt op een kale rots van 979 meter hoog! Ten derde male: Waar komt dat van die hoogte neerstortende water vandaan?

Mijn antwoord, steunend in hoofdzaak op de Bijbel is: Al dat water komt diep, héél diep uit de aarde, die grotendeels uit water bestaat! Net als het menselijk lichaam, dat ook meer dan 70% water bevat! Die waterige aarde is, naar mijn mening, de moeder van alle bronnen, beken, rivieren en watervallen.
Dáárom lopen meren, beken en rivieren nooit leeg en raken de zeeën nooit overvol. Via een eeuwige kringloop keert zeewater terug in de aarde. Het water, oorspronkelijk afkomstig van het vasteland en zout door smeltwater en stromen zoutkristallen, die in het zoete rivierwater zijn opgelost, stroomt richting zee, wordt zoet in het onderaardse water en stroomt, via capillaire werking van de hoogte der aarde- waar de bronnen zijn en beken ontspringen, terug naar de rivieren en vandaar weer naar zee. Dat geschiedt via die hooggelegen bronnen, de spleten en openingen in de aardbodem, die men de poriën der aarde zou kunnen noemen. Zo als een mens transpireert, zo zweet ook de aarde water uit. Heden ten dage ligt er onder de Sahara een ondergronds meer, groter dan de Middellandse Zee. Bij haar uitmonding naar de wijde zee, zegt de rivier tegen de hoge berg: “Wacht op mij. Wacht op mij. Ik keer weerom, wacht op mij!"

Wilde gedachtespinsels van een fantast? Zoals eens Jules Verne in zijn boek 20.000 mijlen onderzee? 

De kolken der diepte.

De aarde bestaat dus naar mijn mening grotendeels uit water. Net als de planeten die om de zon draaien. Al het leven speelt zich hier af op een vrij dunne korst, drijvend op een immense hoeveelheid ondergronds water. Dat druist in tegen de wetenschappelijke opvattingen die als inhoud der aardbol van alles veronderstelt (want zeker weten doet men het ook niet) behalve water.
De Bijbel geeft steun aan die gedurfde opvatting. Het begint bij de schepping. En God zei: "Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en die make scheiding tussen water en wateren. (Genesis 1:6)
Dit kon niet slaan op het water in dampvorm (wolken) want de Here God had het nog niet op de aarde doen regenen. ( Genesis 2; 5-6).
In de Hebreeuwse vertaling wordt met "uitspansel" geen "hemel boven de aarde" bedoeld, maar iets dat is "tussen watermassa’s". Toen zei God: “WajoMER ELOHIEM: Er zij een uitspansel- JeHIE RAQIEA- te midden van de watermassa’s- beTOKH ha MAJIM,- en het zij afbakenend- WieHIE MaVDIEL- tussen water (op aarde) en water (boven de aarde) BEJIM laMAJIM".



Interessant is de tekst in Psalm 24:2; "des Heren is de aarde en haar volheid, de wereld en die daarop wonen. Want Hij heeft haar op de zeeën gegrond en op de stromen bevestigd" En Spreuken 8:27- en 30:15-16 "spreken over de bronnen der zee" en "de aarde die nooit verzadigd is van water".
Drijft de aarde (vroeger schijfvormig) aldus op de zeeën, dan is het water boven die aarde de nu zichtbare Oceanen. Dan is het eerder genoemde woord RAQIEA het woord dat een vaste of stevige materie (aardkost) weergeeft. Dan is er dus een ontzaglijke watervloed ónder de aarde!

Toen God de zondvloed over de aarde liet komen, deed Hij dat door het 40 dagen en nachten te laten stortregenen,( niets bijzonders zult u zeggen, wij kunnen er in ons kikkerlandje ook wel wat van) en…door gebruik te maken van dat onderaardse water, want: “op die dag braken alle kolken der grote waterdiepte open" (Genesis 7:11). Zuiver vertaald uit het Hebreeuws "braken alle wellen der grote (onderaardse) watermassa= enkelvoud- open- " nivqéoe KOL MA jeNOT Te HOM RABB.

Het is wel zeker dat het water van de zondvloed hoofdzakelijk uit de aarde kwam. De bovengenoemde "kolken der grote diepten" die bij de zondvloed open gingen, namen als de afvoer van een badkuip, het water ook weer op! Waar zou anders die immense hoeveelheid water, 15 el boven de hoogste berg (de Mount Everest (8848 meter), in het Himalaya bergmassief gebleven zijn?

Nu is het mogelijk dat in die tijd, die hoogste berg nog niet door de werking der aardkorst gevormd was, maar vast staat dat er al hoge bergen waren. Vast staat ook dat die onbeschrijflijke hoeveelheid water niet in zo’n korte tijd verdampt kon zijn. Want na 150 dagen namen zij af en in het zeshonderdste jaar ( Noach was 600 jaar oud toen de zondvloed begon) waren de wateren opgedroogd van de aarde. (Genesis 8:13)

De zee komt dus m.i. voort uit de diepten der aarde. Dat verteld God Zelf aan Job met de woorden: "Wie heeft de zee met deuren afgesloten, toen zij bruisend uit de moederschoot kwam? (Job 38:8) Ook de profeet en schaapherder Amos wist hier van. Hij schrijft: “die het water der zee heeft opgeroepen"(Amos 5:8) En de spreukendichter geeft blijk er weet van te hebben dat de zee uit de aarde komt met de woorden: "Toen Hij en kring trok op het oppervlak van de Oceaan, toen Hij de wolken daarboven bevestigde en de bronnen van de Oceaan met kracht opborrelden". (Spreuken 8:27-28) en later in 30:15-16 "De bloedzuiger heeft twee dochters: geef, geef. Deze drie zijn onverzadelijk, vier zeggen nooit "Het is genoeg; het dodenrijk en de onvruchtbare schoot, de aarde die nooit van water verzadigd wordt en het vuur , dat nooit zegt "Het is genoeg!"

De zee wordt m.i. gevoed (gelijk de rivieren) door bronnen uit onvoorstelbare diepten. Uit troggen tussen 5500 en 10.000 meter diepte welt water en lava uit de Oceaanbodem (de moederschoot der aarde) naar buiten. De lava stolt. Zij vormt een stop of grendel, die steeds weer de baarmoederhals afsluit. ("toen Ik grendels en deuren aanbracht" Job 38:10).

Men vindt het nogal vanzelfsprekend dat water diep uit de aarde omhoog welt. Maar van hóe diep, daar heeft de wetenschap geen enkel idee van. Zoals de wetenschap ook geen idee heeft waar al het water op en in de aarde vandaan komt. Tot heden nam men aan door neerstortende meteorieten, die water bevat zouden hebben. Dat idee is nog niet zo gek. Want er is water in ons Zonnestelsel al is dat maar in de vorm van ijs. Op een programma op National Geografic werd getoond dat in ons zonnestelsel rond een groot hemellichaam een ijsplaneetje of maantje draait, die ca 225 km groot is. Het wonderlijke is dat het oppervlak van dit planeetje of super meteoriet geheel met dik ijs bedekt is. Geleerden vermoeden dat de miniplaneet of super komeet, geheel uit ijs bestaat! Maar uit modern onderzoek is ook gebleken, o.a. door water uit de kop van de komeet Haley die eens in de 70 jaren bij ons komt buurten, te analyseren, dat dit soort ijswater in samenstelling verschilt met water zoals het nu op aarde is. Op 13 en 14 maart 1986 verzamelde de Italiaanse sonde Giotti foto's en gegevens van die "vuile langwerpige sneeuwbal".
Afgaande op de Bijbel zijn er onvoorstelbare oceanen van ondergronds water. God verbiedt in de 10 geboden (Exodus 20 4) gesneden beelden te maken van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Het wordt herhaald in Deut. 4:19 en 5:8.
Jacob zegende Jozef "met zegeningen van de watervloed, die beneden ligt". Letterlijk uit het Hebreeuws vertaald: met zegeningen uit de in de laagte liggende oceaan - BIRKHOT ROVETSET TACHAT-(Genesis 49; 25).
En later zou Mozes aan deze woorden memoreren over Jozef: dat zijn land zij door de Heer gezegend met de kostelijke gave des hemels, met de dauw, en met de watervloed die beneden ligt" (Deut. 33:13) De vraag van de Almachtige aan Job: "Zijt gij doorgedrongen tot de bronnen der zee, en hebt gij door de geheimnissen van de waterdiepte gewandeld? (Job 38:16) completeert de waarheid dat de aarde grotendeels uit water bestaat, waarvan een eenvoudige visserman getuigde: "Want willens en wetens ontgaat het hun, dat door het woord van God, de hemelen er sedert lang zijn geweest en de aarde die uit en door het water bestaat" (2 Petrus 3:6-6): "Door dat water" zegt Petrus, Is de toenmalige wereld vergaan, verzwolgen door het water" Water dat opkwam uit de "kolken der grote waterdiepte".

Die enorme ondergrondse watermassa, "verschoont" ook het bovengrondse water. Voor de milieuactivisten, die, overigens met de beste bedoeling, zo op hun achterste benen steigeren wanneer onverlaten vuiligheid in het water droppen, is het goed te weten dat die enorme ondergrondse watermassa, óók het bovengrondse water verschoont. Hun angst voor wereldondergang mede door watervervuiling, is zacht gezegd lichtelijk overdreven. Het zal het opwellende, zegen brengende water zijn dat straks, bij de vernieuwing der aarde, waterplassen in de gloeiend hete woestijnen zal geven: "want in de woestijn zullen wateren ontspringen en beken in de steppen en het gloeiende zand zal tot een plas worden en het dorstige land tot waterbronnen." (Jesaja 35:7)

Bergen hebben wortels

Onderzoekingen door geologen met behulp van moderne instrumenten en boortechnieken, hebben aangetoond, dat diep onder de Sahara zéér veel water is. Als de Heer" water in de woestijn geeft om Zijn uitverkoren volk te drenken (Jesaja 43:20) dan zal dat water diep onder die woestijn vandaan moeten komen. Aardig vooruitzicht voor Arabieren en Bedoeïenen, die nu met hun kameel, het Schip der Woestijn door de Sahara sukkelen, terwijl van de hitte de reuzel uit hun broekspijpen druipt! Volgens Jesaja zal hun grote zandbak "tot een waterplas"
worden, zodat zij eindelijk ook eens in een zeilbootje kunnen stappen.

Ezechiël voorzag een Tempelbeek met kristalhelder geneeskrachtig water, aanzwellend van voethoogte tot knie, van knie tot middel, van middel tot hoge wateren, uit de diepte ontspringend. (Ez.47:1-2) Zo diep dat men er in kan zwemmen, een beek die niet te doorwaden is!
En overal waar die beek langs stroomt, wordt het water gezond en rein en er zal veel vis zijn en langs de beek groeien allerlei vruchtbomen, die elke maand vrucht dragen! Zo kunnen zwemmers in plaats van een lange tocht naar de Super, direct van uit het water stappend, heerlijke kosteloze vruchten plukken en op hun barbecue vis roosteren! Leuk toch?

En Johannes de openbaarder zag: "een rivier van water des levens, helder als kristal" (Openbaring 22:1). Eens zal de aarde opbloeien als een roos. Vernieuwd, verheerlijkt, verschoond. Gezuiverd en gewassen als een dopeling na onderdompeling van zonden en onreinheid. "Dan wordt de woestijn een gaarde, een plaats van rivieren en brede stromen (Jesaja 32:16 en 33:21). Het "Paradise regained" van de blinde dichter John Milton, zal dan bewaarheid zijn.

Van welk een diepte komt het water naar boven? Welke wegen gebruikt het? Eén der wegen is bekend, namelijk de "BRON" ontspringend op de top der bergen. Bronwater opwellende volgens het eruptie- of geiser systeem, komend van zéér grote afstand, van diep onder het aardoppervlak. Opwellende en borrelend kruipt het water, overeenkomstig de capillaire werking, omhoog door een soort holle buis in de "wortels der bergen". De Rijn, de grote Europese rivier met een lengte van 1320 km en een stroomgebied van 224.400 vierkante km.
ontspringt in de centrale zone van de Zwitserse Alpen en wordt naar men algemeen aanneemt gevoed door smeltwater van de gletsjers. Iedere seconde stroomt 400.000 liter water door haar bedding. Toch zouden die gletsjers spoedig weggesmolten zijn, ware het niet dat bronnen, ontspringend van de bergtoppen hun ijsmassa aanvult en onderhoudt. Metingen der zwaartekracht hebben aangetoond dat bergen wortels hebben, punten van vast gesteente onder de berg naar beneden doorlopend. Zij dringen zich vanuit granieten basis in steunend basalt, dat zwaarder is dan graniet. (uit studies van James Hall (1858) en C.E.Dutton (1889).
Dat bergen wortels of pijlers hebben, vertelt de Bijbel, als daarin de wroetende activiteiten van de mens wordt geschetst: "Hij woelt de bergen van hun wortel af" (Job 28:9) en "Waarop zijn haar pijlers neergelaten?”
(Job 38:6).
Het zijn wortels die steunend in de granieten onderlaag, zich als holle pilaren diep naar beneden boren, tot "in de wateren der grote diepte".
Manasse, de koning van Juda zegt: Gij die de hemel en de aarde en al wat er in is gemaakt hebt en de zee heeft verzegeld met Uw gebod en de diepte hebt toegesloten en verzegeld. (tekst uit "Het gebed van Manasse" toen hij gevangen was te Babel - Apocrief). Enkele openingen zijn in die verzegelingen uitgespaard, opdat helder bronwater de aarde besprenge!

Waarom zijn de heuvelen eeuwig?
Hoewel de bergen vast verankerd lijken te staan, is hun levensduur toch beperkt. Dat in tegenstelling met de heuvels, die in de Bijbel de "eeuwige heuvelen" worden genoemd, onder andere in Genesis 49:26 en Deut. 33:15-16. Waarom spreekt de Here in Zijn boek van "eeuwige heuvelen” en niet van "eeuwige bergen”?
De verklaring is eenvoudig. Bergen schuren af door stof en zand. Dat is duidelijk te zien aan de afgesleten bergen in Amerika in de staten Utah en Arizona, in het bijzonder langs het stroomgebied van de Colorado rivier. Overblijfselen van bergen verheffen zich daar als ronde rode pilaren. De kale berg heeft geen bedekking of bescherming. De schuurmachine van wind, stof en opeenvolgende eeuwen, slijpen haar af. Maar de heuvel niet. Zij is glooiend en begroeid. Haar beschermende vegetatie wordt ieder jaar vernieuwd! Zij kan derhalve niet slijten zoals de berg of kale rots. Tijd en erosieve werking van wind en zand hebben op de "eeuwige heuvelen" geen invloed!

Scheiding der continenten en vernieuwing der aarde

Enorme platen aardmateriaal bewegen zich over onze planeet. Er is voortdurend beweging. Haast onmerkbaar schuiven continenten op. De rampzalige aardbevingen zijn o.a. het gevolg van die bewegingen. In de loop der geschiedenis zijn de verschillende continenten vanuit één grote landmassa uiteen gedreven.
De wetenschap der geologie neemt deze theorie, gelanceerd in 1912 door de Duitse meteoroloog Alfred Wegener als vaststaand aan. Deze theorie leert dat al het vasteland eens in de vorm van een grote "ring" aaneen gesloten is geweest.

In het Internationale Geofysisch jaar, werd een wereldwijd onderzoek gedaan naar de gesteldheid der aarde. In die jaren ‘50 werd de theorie van de geniale Duitser aangevuld en verdiept. Dat onderzoek bracht ook de waarheid van een aantal Bijbelteksten aan het licht.
In Spreuken 8:27 staat: toen Hij een kring trok op het oppervlak der Oceaan", en in Job 26:10 "Hij trok een kring over het watervlak tot waar het licht aan de duisternis grenst".
Beide teksten voeren ons terug naar de scheppingsdagen toen God zei: “dat de wateren onder de hemel op één plaats samenvloeien en het droge tevoorschijn kome" (Genesis 1:9).
Deze genoemde "kring" moet zeker een derde van de aardbol begrensd hebben (tot waar het licht aan de duisternis grenst), dat is net zoveel als het complete areaal van het vasteland beslaat. Er is nog een tekst, die op het bovenstaande aansluit, namelijk Ezechiël 38:8.
Het gaat over een volk "bijeengebracht op de bergen Israëls" en vers 38:12 geeft exact de geografische plaatsbepaling: een natie die op de navel der aarde woont". Die uitdrukking "navel" betekent "centrum" of "midden". Welnu, indien men een passerpunt in het midden der ring van aaneengesloten continenten zet, het z.g. Oer Pangaea, Al- aarde of Oercontinent vóór het uiteendrijven, dan staat die punt in het huidige Israël!

Zo staan er meerdere onthullingen of bevestigingen in de Bijbel. Bijvoobeeld over de genoemde grote waterdiepte en de continenten die daarop drijven. In het boek de Psalmen waarin vele geheimen staan verborgen, heet dat: "De waterdiepte, Gij hebt haar als met een kleed bedekt". (Psalm 104: 6) Met dat KLEED kan mijn inziens niets anders bedoeld worden als het vasteland, de continenten!

Zoals eerder beschreven komt de zee voort uit de aarde. Zij ontvangt haar water uit bronnen die op grote diepten gelegen zijn, sommigen meer dan 10.000 meter diep. Uit engten en op plaatsen waar de huid der aarde zeer dun is, welt het water te saam met lava als door de hals van een baarmoeder uit de moederschoot der aarde omhoog. Deze engten, door de wetenschap "troggen" genoemd, vond men op bijna 6000 meter diepte in de Caribische Zee, de zogenaamde Cayman-trog. Dan is er de afgronddiepe Marianen-trog, gelegen in de Westelijke Pacific en bijna 11.000 meter diep. Daaronder barst de aardkorst open en puilt op gezette tijden, al dan niet gepaard met aardbevingen, water en lava naar buiten. De lava stolt in het koelere zeewater tot een koek. Zo vormt ze een stop of "grendel" die de baarmoederhals afsluit. Een beschrijving van dat proces werd eerder gegeven in Job 38:8, "Wie heeft de zee met deuren afgesloten toen zij bruisend uit de moederschoot kwam?"

Ook in Ezra 7:3-4 (Apocrief) wordt iets dergelijks vermeld, alsook de bevestiging dat de zee, gelijk de rivieren, door bronnen wordt gevoed: "De zee is in een enge plaats gesteld opdat zij de rivieren gelijk zou zijn".
"Gij vernieuwd het gelaat der aarde"(Psalm 104:30) en "Bergen rezen op en dalen zonken neer" (Psalm 104:8) Wat betekenen deze teksten?

Door Convergentie, d.i. het naar elkaar toe bewegen van continentale gesteenten, schuiven aardlagen als ijsschotsen onder elkaar en verdwijnt het onderste in het binnenste der aarde. Enorme massa’s nieuw materiaal worden daardoor omhoog geperst. Het aardoppervlak wordt echter niet groter maar… vernieuwt steeds! Bij die botsingen, welke overigens met de snelheid van luttele centimeters per jaar geschieden (zo schoof eens India tegen Azië) ontstaan gebergten. Op deze wijze kwamen de Himalaya, de Andes en de Rocky Mountains tot hun verheven positie. In de Bijbel wordt deze beweging genoemd,"Bergen rezen op en dalen zonken neer" en " Hij verplaatst de bergen zonder dat men het merkt" (Job 9:5).

Toch moet die beweging of scheidingssnelheid in het begin een veel sneller verloop hebben gehad. Van vrij abrupt ten tijde van Peleg (Genesis 10:25) - de naam van de ene was Peleg, want in zijn dagen werd de aarde verdeeld - tot trager snelheid uitlopend in het huidige tempo van enkele centimeters. Oude landkaarten tonen bijvoorbeeld Europa en Afrika en Noord en Zuid Amerika (die als een legpuzzel in elkaar passen) véél dichter bij elkaar. Het geeft steun aan de veronderstelling dat de scheiding der landen/continenten en daardoor
de verschillende mensen rassen, ten tijde van Peleg of Pelegh, vrij plotseling moet hebben plaatsgevonden. In het Grieks betekent het verwante woord "Pelasgoi": gescheiden aardrijk. De naam Peleg, de zoon van Heber, betekent "Splitsing-Verdeling". Die naam werd in verband gebracht met het feit dat in zijn dagen de aarde gesplitst of verdeeld werd. (Zie Genesis 10:25, 11:16-19) In het Hebreeuws wordt gezegd: KIE VejAMAW NiFLeGHAh HaARETS, Wat beduidt zowel scheiding der landen- continenten én mensheid, alles
ten tijde van Péleg.

Tot slot geeft ook Psalm 136:6 een indicatie over het uiteendrijven der aarde d.m.v. de goddelijke macht. Hier wordt Hij en Zijn werk genoemd: “Die de aarde op de wateren uitbreidde" Het is logisch dat als continenten letterlijk uit elkaar drijven of uitbreidden, zij dan ook drijven op iets wat vloeibaar is, naar mijn vaste overtuiging op WATER!

Wonderbare, schone aarde, vol met geheimen en omgeven door raadselen hangend aan de gouden keten van het zonlicht, door Job genoemd: “Hij hangt de aarde op aan het niet" (Job 26:7) waardoor Job blijk gaf te weten dat ze als een bol vrij in de ruimte zweefde, hoe is ze voortdurend in beweging. En hoe weinig weten wij van haar ondanks alle kennis en wijsheid.

vrijdag 7 december 2012

Snippers van leven 9 - De trein over de zee

De trein over de zee


1936. Hij heette Malle Dirk. Dat was de bijnaam, die wij jongens hem hadden gegeven. Een kind in grote mannen maat, ongeveer 40 jaar oud en debiel.
Malle Dirk had een ingevallen gezicht met een kromme neus, een hoge rug en magere spillebenen, waar omheen een veel te wijde broek slobberde. Hoewel volwassen van gestalte, was hij geestelijk een kind. Hij had een spraakgebrek, waardoor hij de eerste letters van bepaalde woorden niet kon uitspreken. Zijn krompraat leverde een bijzonder komisch effect op, vooral als hij zich kwaad maakte. Dan balde hij de vuist en slingerde ons spugerige scheldwoorden naar het hoofd, waarbij hij vloekte als een dragonder en schreeuwde:
“ Ottedomme, ‘uile ‘otstralen, ikke mes in ‘ullie ‘onder ‘teken!”
Zijn bedreigingen om ons “vuile rotstralen” een mes in onze donder te steken, maakte niet de minste indruk.

Omdat hij kind was en kind bleef, speelde hij vaak met ons mee. Dan was hij de “lummel” in het Toet-om Blok- spel. Die lummel stond met het hoofd op de arm tegen een dikke boom en telde langzaam:
“Tien, twintig, dertig,” enz. en riep na honderd: “Honderdtien, wie niet weg is, is gezien, ik kóóóóm!”. Van de anderen werd verwacht, dat zij inmiddels een blok om waren gelopen en zich hadden verstopt. De taak van de lummel was om hen op te sporen.
Op een avond stond Dirk weer zéér langzaam te tellen: “Tien, t’intig, t’ertig”, enz. Maar in plaats van een blok om te lopen en ons te verstoppen, waren wij met  zijn allen in de dikke boom geklommen en pisten op commando Dirk op zijn kop.
Deze staakte abrupt zijn trage tel reeks en annonceerde luid: “Ottedomme, ‘k hou op ‘oor, ’t ga ‘ egene, ‘ k ga na ‘ uis!”. Dirk slofte weg en was stom verbaasd, dat het buiten het dichte bladerdak niet regende.

Kinderen, dronken mensen en dwazen zeggen vaak de waarheid en hebben momenten van helderziendheid.
Toen wij eens met heel ons troepje kwajongens met inbegrip van Malle Dirk, boven op de Noordersluis te Naarden stonden, met wijds uitzicht over de afgesloten Zuiderzee, bracht Malle Dirk ons in verbazing door, wijzend over het spiegelende watervlak naar de verte, plots uit te roepen: “ Ottedomme, ikke sien, t’ aar, t’ein over te zee!”
Wij konden het hem niet uit het hoofd praten. Hij hield het hardnekkig vol. Hij had “Ottedomme nog an toe”, een trein zien rijden over de zee!”
Gek genoeg kwam het visioen van die rare Dirk 50 jaar later nog uit ook. Toen de spoorlijn van de Bijlmer naar Almere gereed kwam.

Dirk stierf de hongerdood in de oorlogswinter ‘ 44-’45. Hij bevindt zich nu ongetwijfeld, ondanks zijn barbaars gevloek, in een oord waar nooit meer honger wordt geleden, want hij was en bleef een kind. En zei niet eens iemand: “Laat de kinderen tot Mij komen?"

Snippers van leven 8 - De bomaanslang op de Gooise Moordenaar


De bomaanslag op de Gooise Moordenaar (1929)

In de grauwe crisistijd behoorde mijn vader ook tot het grote leger werkelozen. Om de tijd door te brengen en tegelijk geldelijk voordeel te behalen, verzonnen de tot rust gedoemden de meest vreemde manieren om aan een dagvulling en een “grijpstuiver” (Bargoens voor bijverdienste) te komen. Zo ook Pa met zijn handel.
Als vrije vogel uitwiekend tot in de verste plaatsen in het Gooi, belandde hij eens, samen met een compagnon die hij in zijn “bedrijf” had opgenomen om de kans op winst te vergroten, bij een grote villa in Oud Valkenveen.
Die compagnon heette Dirk en was een oud marineklant. Zijn inbreng in de zaak bestond uit een gammele bakfiets, nodig om het “bedrijf” de nodige mobiliteit te verschaffen. Samen vormden zij een illuster span, dat voor de voet opkochten wat maar in roerende goederen van hun gading was. Daarbij waren zij niet afkerig om bepaalde “vaste” goederen, zoals zinken regenpijpen, loden dakbedekking en koperen buitenkranen roerend te maken en geschikt tot vervoer op genoemde bakfiets. Er dient bij gezegd dat zij vergaten toestemming van de eigenaars te verwerven. “Doe wel en zie niet om”, was hun devies.


In de vijver van die villa prijkte in al zijn dreigende, monsterlijke lelijkheid, een mijn. Een  groot rond geval, voorzien van ontstekingspennen, rustend als een enorm stekelvarken tussen de argeloze goudvisjes. De villa was eigendom geweest van een gewezen zeekapitein, die het tijdelijke voor het eeuwige had verwisseld. Naast de villa had hij aan zijn bedroefde weduwe de erfenis gelaten van een tijdbom in de vorm van de helse machine in de vijver.

Die zeebonk moet een man geweest zijn met zeldzaam soort sadistische inborst. Bij leven had hij hardnekkig geweigerd zijn echtgenote in te lichten over de al dan niet gevaarlijke staat van het kolossale “Marine-ei”. Ook bij overlijden verschafte hij geen nadere informaties, zo zijn bedroefde weduwe in een permanente staat van doodsangst achterlatend. Mogelijk zat de man ergens in het geestenrijk besmuikt te grinniken om de poets die hij haar postuum bakte.

Hoewel compagnon Dirk geen briljant maritiem deskundige was op het gebied van vernietigingsmiddelen waarmee de marine zich behelpt, had hij toch voldoende kennis om te weten dat zo’n  zeemijn, naast het mooie vermogen om er een slagschip mee in de lucht te doen vliegen, in haar inwendige ook waardevolle onderdelen in brons en rood koper bevat, terwijl zijn onvriendelijke buitenmantel een goed gewicht aan ijzerwaarde vertegenwoordigt. Kort en goed, het monster zou, mits omzichtig behandeld, een niet geringe verdienste opleveren voor wie hem in eigendom verwierf of … een snelle reis naar het Hiernamaals achter de kapitein aan. Het is maar hoe je het bekijkt of hoe de mijn zich zou gedragen. Dus boden de kooplui de weduwe aan om de ijzeren kwelgeest van haar te kopen.

De door angst geteisterde weduwe bleek grif bereid haar nachtmerrie voor “noppes”(Bargoens voor gratis) aan de handelaren over te doen op voorwaarde dat zij zich tijdens de takel- en transportwerkzaamheden ver uit de buurt mocht begeven. Safety first, nietwaar?

Laat ik u nu vertellen dat laden en vervoeren op een kreunende bakfiets van zo’n gevaarte van honderden kilo’s geen sinecure is. Van de kooplieden werd al hun technisch vernuft en handigheid gevergd, vóór het enorme geval bij ons thuis achter op de plaats van het mishandelde voertuig was afgeladen.
Het onding had gewillig met zich laten sollen en was niet voortijdig geknald. De nachtmerries van de kapiteinse behoorden tot het verleden….de onze begonnen.
Het “ding” was in zijn huidige vorm onbruikbaar. Het diende in handzamer moten gedeformeerd te worden. En daarin lag de kern van het probleem. Zolang er goedaardig met hem gesold was, had hij zich rustig gedragen. Een andere zaak was hóe hij zou reageren wanneer de slopers/handelaars een operatie aan de ingewanden gingen uitvoeren.

Nadat de mijn dagenlang als een boosaardig koekoeks-ei zijn niet uit te vlakken aanwezigheid aan ons had opgedrongen, kwam het moment dat vader en compagnon Dirk de onruststoker voor een “behandeling” te lijf gingen. De gereedschappen die zij bezigden, waren niet bepaald fijn chirurgische instrumenten. Persoonlijk zou ik een voorhamer, beitel en breekijzer niet zo willen betitelen.
Dirk was, zoals gezegd, ondanks zijn verblijf bij de marine geen deskundig expert op het gebied van mijnen, die dat strijdmachtonderdeel in vijandige wateren deponeert en zich niet bewust wat voor gevaren in zo’n hels apparaat verborgen lagen.
Dát bleek uit zijn opmerking vóór de aanvang der werkzaamheden: “We rammen er maar op los en zien wel wat we tegenkomen!”
Dat ze toch rekening hielden dat hen wat kon “overkomen”, bewees hun genomen voorzorgmaatregel. Ze bouwden eerst een muurtje van zandzakken om eventueel ontploffingsgeweld te temperen en de dierbare familieleden te beschermen. Nee, zó onnozel waren ze nou ook weer niet, dat moet u vast niet denken.

Het zou te ver voeren, al de formidabele dreunen op te noemen die ze het monster met de voorhamer verkochten. Bij de eerste denderende klappen, doken wij spontaan weg achter de zandzakkenmuur. Maar omdat het geval geen aanstalten maakte om te “knallen”, ebde de angst langzaam weg en verplaatsten wij onze belangstelling dichter in de nabijheid van de zwetende slopers. Na het afkappen van een groot aantal vastgeroeste moeren en bouten en het opdoen van een respectabel assortiment blaren, waren de heren zo diep in het inwendige afgedaald, dat zij daaruit een  koperen bol opdiepten.
Het was een babyminiatuur van haar ouwe moer, maar zonder haar venijnige stekels, vrij zwaar en voor driekwart gevuld. De korrelige inhoud bracht bij heftig rammelen een sinister geluid voort, als het klepperen van doodsbeenderen. Dirk raapte al zijn summiere kennis van detoneermiddelen bijeen en verklaarde dat de mysterieuze bol gevuld moest zijn met “pikeriniezuur” (Picrinezuur, gele kristallijnen verbinding, explodeert bij plotselinge temperatuurstijging) een ontploffingsmiddel zó boosaardig dat het al uit elkaar dreunt als je er alleen maar kwaad naar kijkt. Vader bestreed die theorie, wijzend op het feit dat Dirk de bol heftig langs zijn flaporen had gezwengeld, zonder dat mans hoofd van de romp gescheiden was. Dáár was wat voor te zeggen.
Omdat water de eigenschap heeft de kracht van helse machinerieën te neutraliseren, werd de koperen kokosnoot in een emmer water gedeponeerd. Daarin werd het onrustbarend en intens groen! Wat te doen met de raadselachtige bol? Weggooien was zonde. Het was van fijn roodkoper en dat was geld waard.

Op dat moment deed de Gooise Moordenaar zijn intrede in het verhaal. Het was een trammetje dat door het stadje reed en die zijn naam had verkregen om zijn onhebbelijke gewoonte voetgangers en fietsers te verpletteren. Wel stiet het te pas en onpas als waarschuwing schelle kreten uit, vooral als hij stoombrakend door de Utrechtse Poort zeilde of erbarmelijk gierend langs het Glazen Paleis om via de Vijf Loodsen het stadje te verlaten, maar toch was het regelmatig mis en moest hij weer opgevijzeld worden om een verkreukelde fietser er onderuit te halen. Dit trammetje bracht de oplossing voor het raadsel.

Na het vallen der schemering sloop vader met de bol onder de jas tegen de boezem geklemd, weg. Een uur later kwam hij terug. Hij toonde triomfantelijk de gewezen bol. Zo plat als een briefkaart!
Op veilige afstand, gehurkt achter het monument van Jan Amos Comenius en met de vingers in de oren, had hij de bol op de tramrails uitgeprobeerd. De Gooise Moordenaar had er gedienstig overheen gehobbeld! Zonder er ook maar één wiel bij te verliezen.


Jarenlang heb ik het tramstel, een vierkant parmantig locomotiefje met twee wagonnetjes, met gemengde gevoelens bekeken. Als ik naar de machinist keek, leunend uit zijn raampje en tevreden lurkend aan zijn kort pijpje, zag ik steeds weer in gedachten de man, compleet met pijp en metalen onderdelen, in snelle vaart ten hemel stijgen.

Hij had beestachtig gezwijnd. Onbewust een groot gevaar getrotseerd. Tegen een “mijnlading” voldoende om een zeekasteel in de lucht te laten vliegen, was zijn kneuterig trammetje geen partij geweest. Hij heeft nooit iets geweten en nog lang zijn pensioen genoten. Het geluk is met de domme. Maar misschien bestaat er wel een beschermengel voor eenvoudige zielen. Zoals een machinist van een lokaal trammetje.

Snippers van leven 7 - Een barstende pastoor

Een barstende pastoor

Vader had in de rampzalige crisisjaren ca. 1929 tot l934, waarbij de huidige crisis in vergelijking maar een lachertje bij is, groot gebrek aan financiële middelen, maar genoot als werkloze wel veel vrije tijd. Immers, het verplichte stempeltje dat iedere werkloze voor 10 uur op het stempellokaal moest zetten ter controle dat hij niet aan het werk was, betekende nu eenmaal geen dagtaak.

Om de karige geldmiddelen (13 gulden en 50 cent steun per week) aan te vullen, rommelde hij stiekem in de sector lompen, lege flessen en oude metalen. Dat laatste dreef hem ook tot de rampzalige aanschaf van een oude zeemijn waarvan niemand wist of 't kreng nog kon ontploffen (u kunt er later nog een smeuïg verhaal over lezen), maar die waardevolle metalen in zijn binnenwerk had  Dat vergaren van lompen, metalen en lege flessen moest heimelijk gebeuren, want alle verdiensten verkregen uit werk of handel naast de schrale uitkering, moest opgegeven worden aan de toenmalige MAATSCHAPPELIJKE STEUNVERLENING die de uitkeringen verstrekte en dan korting daarop toepaste. Iets waar hij begrijpelijk weinig voor voelde.

Aan de verwerving van die lege flessen was een aardige anekdote verbonden. Als kind hoorde ik hem eens tegen mijn moeder zeggen: “Die pastoor zuipt zich nog eens te barsten aan de wijn!”
Nu had ik, als diep gelovig jongetje grote eerbied voor mijnheer pastoor. Hij was voor mij voorwerp van absolute aanbidding, een ontzagwekkende autoriteit met relaties bij de hoogste Baas en uitstekend boven de lange rij Heiligen die door mij vereerd werden, zelfs boven de, om zijn vrijgevigheid zo geliefde, Sinterklaas.
Want dát waren allemaal dode heiligen en hij leefde. En hóe! Bijna 2 meter lang en 1 meter in omvang, was hij met zijn nijlpaardbuik geen figuur die je licht over het hoofd zag. Zijn hoofd was groot en rond en bij neus en konen paarsblauw. En deze eerbiedwaardige figuur (waar u later ook nog meer over kunt vernemen)  bleek nu, door die opmerking van mijn vader, naar mijn idee een toekomstige martelaar te worden voor de “enige, ware, Heilige Roomse Kerk”.

Dat leek mij een vreselijk lot. Eens te moeten “barsten” als gevolg van je heilige taak. Dat hield namelijk onder meer in dat bij het celebreren van de Mis, waarbij het ritueel voorschreef, dat daarbij een teugje wijn gedronken werd en de Consecratie werd genoemd, de
priester een kelk, waarin vooraf de misdienaar via een zilveren inschenkkan wat wijn had geschonken, omhoog hief en de kelk leegdronk. De alcoholische drank verbeelde het bloed van Christus te zijn.

Pas veel later heb ik begrepen, dat vader niet op die minimale hoeveelheid duidde. Mijnheer pastoor was namelijk zo welwillend zijn lege wijnflessen aan Pa’s handel af te staan. Vandaar!

maandag 3 december 2012

Snippers van leven 6 - Een wielerronde

 Een wielerronde 

De volgende dag had vader hem opgehaald om die trein te zien. Aan het stuur van zijn oude fiets bungelde een koper belastingplaatje, toen voor iedere bezitter van een stalen ros verplicht. Maar een werkeloze kreeg reductie op die rijwielbelasting. Hij hoefde maar twee gulden vijftig te betalen en kreeg dan een plaatje waarin een rond gat was geponst. Een mild gebaar van minister Colijn voor de honderdduizenden werklozen in die crisistijd. Dat zo’n plaatje een man smadelijk als werkloze aanwees, scheen hem minder te deren.
Vaak wist mijn vader wel een betere bestemming voor die knaak, die eens per jaar werd verstrekt bij het wekelijkse steungeld van dertien gulden vijftig. Bijvoorbeeld voor een paar schoenen als ik weer eens met de tenen door de neuzen rondslofte. Dat hij dan voor de rest van het jaar schichtig als "wetsovertreder" rondpeddelde, deerde hem minder. Veel werklozen deden dat en spaarden de bekeuringen op. De tot rust gedoemden, gingen dan gewoon een paar dagen "van achter de bomen bikken” (Bargoens voor in de gevangenis zitten). Ze hadden toch niets te doen en in dat Rijkshotel was kost en inwoning gratis.
Vader had een vriend met de bijnaam Boko, die in het trotse bezit was van een racefiets, waarop hij een indrukwekkende snelheid ontwikkelde. Maar wél in bezit van een plaatje. Samen rijdend op de lange rechte weg langs de Muidertrekvaart, Boko beheerst peddelend op halve kracht naast mijn zwoegende vader op zijn "oude barrel" (Bargoens voor roestige fiets) ontwaarde zij, geposteerd op de weg twee agenten: lange Hooier en Kamer, bijgenaamd de Neus om de enorme aanplant die moeder natuur in een speelse bui hem midden in het gelaat had geworpen. Zij hielden controle op het verrekte plaatje. Mijn vader had die niet. Terugkeren zou té verdacht zijn.
Onder de uitroep: “Geen paniek, hou je maar aan mij vast!” boog Boko diep over  zijn stuur en koerste onvervaard op de gerechtelijke obstakels af. Op korte afstand gekomen, richtte hij zich op, schrok onbedaarlijk, wendde het karretje en spurtte pijlsnel terug.
Alarm bij de agenten. Dat was zéér verdacht. In de consternatie voerde vader zijn misdrijf, het manco plaatje, ongemerkt langs de gerechtsdienaars.
Lange Hooier zette op zijn zware dienstfiets de achtervolging in, luidkeels "HALT" roepend. Maar spoedig staakte hij het nutteloze geschreeuw. Hij kon zijn adem beter gebruiken. Boko, kennelijk doof voor het geroep, blikte in het spiegeltje op zijn stuur en zorgde angstvallig dat de afstand tussen hem en de blauwaanlopende politieman geen meter korter werd. Volgens nauwkeurig gepland traject voerde het racecircuit in een kilometers wijde cirkel terug naar de plek waar de wachtende collega de wegrenners zag naderen. Met zijn laatste adem brulde de achtervolger: “Houdt hem! Hij heeft geen plaatje!”



De aangeroepene ging met wijdgespreide armen, alsof hij een hollend paard tot stilstand moest brengen, midden op de weg staan. Het was niet nodig. Rustig bracht de “Untouchable“ zijn vervoermiddel tot stilstand en wees bereidwillig op het omstreden plaatje, dat onschuldig aan zijn stuur bengelde.

Snippers van leven 5 - Het ziekenhuis

Het ziekenhuis

En hij wás flink geweest, hoewel dat gruwelijk pijn had gedaan. Te veel pijn en schrik voor een jochie dat pas 7 was geworden. Hij was een armelui’s kind en daarmee hadden ze niet veel consideratie. Net als de aanblik van die stoomtrein, zou hij de verschrikking van de operatie nooit  vergeten.
Het had plaatsgevonden in het Majella Ziekenhuis te Bussum. Een groot deel van het verplegend personeel bestond toen uit zwart geklede nonnen, het gelaat omlijst met een witte kap. Op de nooit bevruchte schoot van zo’n non, de armen stevig vastgesnoerd en een lederen schortje voor, had hij de ingreep ondergaan. In die tijd zonder narcose of verdoving.
Het gebeurde in een klein, luguber aandoend, benauwd kamertje, zonder vensters. Aan de wand brandde een petroleumlamp. De chirurg, gekleed in een lange witte jas en een spiegelende ronde reflector op het voorhoofd, een humeurig man, had kortaf gezegd zijn mond open te doen.
En moedig had hij die wijd open gedaan voor die man, die resoluut een glimmend instrument in zijn keeltje had geduwd. Nog herinnerde hij de pijn en de stikkende benauwdheid die daarop volgde en de weeë smaak van bloed. Hij had zich daarna in slaap gehuild in het smalle witte bedje.
Tevoren had een verpleegster hem toegesnauwd: “Hou toch op met je gejank, rotjong!” Maar zijn keeltje deed zo zeer en hij had een verschroeiende dorst.
En toen… was die non bij zijn bedje gekomen. Zacht had zij zijn haar gestreeld en troostend tot hem gesproken. Nooit ook vergat hij deze weldaad en het ijsklontje dat ze hem in de mond had gestopt.
Zo liefde een gezicht kan tonen, ik geloof, het zou het hare zijn!
Want dat jongetje was ik!

Snippers van leven 4 - De trein

De trein

1934. De kleine jongen stond aan de hand van zijn vader, een dikke das om zijn hals geknoopt, voor de gesloten spoorbomen en hoorde trillend van spanning en een beetje angstig het aanzwellend geluid van de naderende sneltrein naar Amsterdam. Het was voor de eerste keer in zijn leventje, dat hij dit mocht beleven. Hij was helemaal gek van treinen en had er halsreikend naar uitgezien.
Zij hadden lang moeten wachten, voordat de grote spoorbomen bij de overweg Vlietlaan / Generaal de Lareijlaan te Bussum naar beneden daalden. Vader ging, als werkeloze, nooit met de trein en wist niets van dienstregelingen. Zo hadden zij maar op goed geluk gewacht tot het grote moment was aangebroken.
Er voer een trilling door de grond en plots, nog onverwacht, denderde een zwarte locomotief, een donderende massa staal, dreunend in een orkaan van geluid, als een voorwereldlijk monster, vonken, rook en damp spuwend voorbij.
Het lawaai was oorverdovend en angstig drukte hij zich tegen zijn vader aan. In een lange rij volgden de wagons, de wielen in ritmisch takke-tak-takke-tak-takke-tak cadans ratelend over de verbindingsnaden van de rails. De zoevende luchtstroom van de voorbijflitsende rijtuigen deed de haren op het hoofdje van het kind wapperen. Luid gilde de stoomfluit bij het passeren van het station Naarden-Bussum, waar het op volle snelheid langs daverde. Langzaam verminderde het rumoer en stierf weg in de verte. Vaag hing nog het aroom van rook en damp en een lichte sluier van opgewerveld stof. Het jongetje zuchtte diep van verrukking en keek dankbaar op naar zijn vader, die hem dit onvergetelijke genoegen had bezorgd. Het was de beloning hem beloofd als hij zich flink zou houden bij zijn amandeloperatie, die een dag tevoren had plaatsgevonden.


Snippers van leven 3 - Het Gooi

Het Gooi

Toen God de wereld schiep hield Hij een mooi stuk apart en vlijde dat tussen de armen van Eem en Vecht. Een kostelijk juweel, een uniek brok natuurschoon, een hart van smaragd voor het landje dat later Holland zou heten.
Nergens vindt men zoveel natuurschoon, bos, heide, weiden, rivieren, meren, plassen en strand, geconcentreerd op zo’n klein gebied van ca. 150 km².
Ten oosten en westen begrensd door veen en zandgronden met de grote parels van plassen in Loosdrecht, Kortenhoef en Ankeveen, aan de zuidkant het fraaie Gooiersbos uitlopend tegen de helling van de Rading. In het noorden het zonspiegelende IJ en Gooimeer, dochters van het vroegere Ijsselmeer en kleinkinderen van de oude Zuiderzee.
Strikt genomen behoren dorpen als Loosdrecht, ‘s Graveland, Kortenhoef en Eemnes niet bij het Gooi, maar zij liggen tegen het Gooi aangegroeid en ook ingebed in de lieflijke omarming van Eem en Vecht, terwijl zij door historie, economie, cultuur, geologie, genealogie en vooral natuurkundig, verwant, vermengd, gehuwd en verstrengeld zijn met de Gooiers. Daarom durf ik genoemde dorpen eigenmachtig bij het Gooi te annexeren.
Het Gooi is kern of middelpunt. Trek met de passer een kring om Nederland en u zult bemerken dat de punt daarvan precies in het Gooi staat. Zij is die status zeker waard. Nergens vindt men zoveel goede en aangename dingen, zoveel karakter en aantrekkelijk leefgebied, zoveel bezienswaardigheden als kerken, kastelen, musea, vestingwerken en oude gebouwen.
Wie voor het Gooi het hart opent, krijgt haar lief en zij zal uw liefde beantwoorden. Dan biedt zij meer vreugd dan welke minnares ook. Romantiek, nostalgie, schoonheid, verstrooiing en amusement. Zij sluit u in de armen en leidt u door haar vorstelijk domein. Heeft u wel eens in de vallende avond bij het laatste zonlicht door haar heide gewandeld, terwijl de westerkim rood verkleurt of gezeten aan het stille strand van de vroegere Zuiderzee met alleen het klaaglijk geroep van vogels boven het watervlak? Stond u eens stil op het sluisje van de Oude Haven in Naarden en voelde u de weemoed om vervlogen tijden die zij ademt? Zat u ook tegen de dijk, de trouwe
wachter en beschermer tegen de woede van de Zuiderzee met daarboven de diepblauwe hemel, die zich nergens zo eindeloos en ruim koepelt als boven het Gooi? Kent u de vrede die uitgaat van een ondergesneeuwd
landschap op een vroege zondagmorgen, met alleen het geblaf van een hond op een verre boerderij? Liep u, in regenpak gehuld in de regen door de Gooise bossen en zag u het bladerdak verkleuren in gouden gloed en in de lente weer pril groen oplichten onder Gods penseel? Zeilde u ook eens over haar plassen met de wind zoevend in de zeilen en strelend door uw haar, het water murmelend langs dolboord en bruisend voor de boeg? Waar vond u meer ruimte en vrijheid?
Kent u de schoonheid en weidsheid van een polderland in de warme middagzon en de blauwe droom van de schemer aan de verre einder, onder een hemel van blauw azuur, onpeilbaar hoog boven het landschap van de
Eemnesserpolder? Fietste u op een mooie voorjaarsdag langs het zilveren lint van de kronkelende Vecht of rustte u uit aan de oever van de Eem?
Waar ziet u zoveel scheefgezakte huisjes, als vermoeide grijsaards leunend tegen elkaar, met in hun binnenste oude, nooit opgeschreven verhalen. Of de vele, rietbedakte boerderijen als geduldige wachters in de tijd. De oude haventjes, eens rustplaats voor vissersschepen.
Dit en nog veel meer biedt het Gooi. Het gezegend gebied waarin het stadje ligt waar ik geboren ben, lang gelee.

Snippers van leven 2 - Vroegste herinneringen

Vroegste herinneringen

Ik werd geboren in een vestingstadje. Een onbetekenend stipje in de ruimte rondom, die aan de noordzijde overging in het blauw van de getemde Zuiderzee, nu een spiegelend meer uitgestrekt tot de horizon, waar het onmerkbaar vervloeide in het nevelige grijs der einder.
Op de landkaart bekeken, is het een nietig rondje en van bovenaf, in vogelvlucht bezien, door de scherpgelijnde vormen van de bastions, net een sterretje, parmantig prikkend uit de enorme uitgestrektheid.
Maar met al zijn onbeduidendheid, genoot het bekendheid om zijn respectabele ouderdom en de bewogenheid van zijn geschiedenis.
Vanaf haar ontstaan hadden rampen en onheilen het plaatsje geteisterd. De ruiters van de Apocalyps: oorlog, honger, dood en de pest, waren de poorten niet ongemerkt voorbij gegaan. De Zwarte Dood, de beruchte maaier uit de donkere Middeleeuwen was ook de sinistere gast geweest en had zijn tol geëist van de toenmalige bewoners.
De wilde golven der Zuiderzee hadden het overstroomd. Vreemde legerbenden omsingelde het en sloegen beleg. Dan waarde het hongerspook door de straten. Het onderging de gruwel der Spaanse Furie en een groot deel der bevolking werd, na een laffe woordbreuk van de (edelman) overste Juliano Romero, vermoord.
Don Frederik, Spaans bevelhebber en bastaardzoon van de Hertog van Alva, riep d.m.v. een trommelslager de inwoners op zich in het stadhuis te melden voor het afleggen van de eed van trouw aan Koning Philips. Toen zo’n 500 mensen daarin waren, werd met een trompetsignaal het sein tot moord op de weerlozen gegeven. Ook in de Grote Kerk waren veel mensen gevlucht en werden daar vermoord. Nog zijn de bijlslagen der moordenaars in de dikke eiken deuren te zien. Nog leeft op vele plaatsen de herinnering voort aan die gruweldaden. Ronde ijzeren kanonkogels, gemetseld in de muren van oude gebouwen en tekens in monument en op schrift getuigen van het verschrikkelijk verleden.
Het zijn historische feiten die niet in dit boek passen, maar die ik memoreer uit eerbied en liefde voor het gemartelde stadje waar ik geboren ben en die mij in mijn kinderjaren omarmd heeft in de beslotenheid van haar wallen.
Ik heb haar lief, nu nog na vele jaren, omdat ik binnen haar muren mijn jeugd doorbracht. Zij leverde de decors waar tussen ik leefde en was de plaats waar ik een deel van mijn leven sleet.
Vergeef me lezer dit sentimenteel begin en mijmerij over een, voor een buitenstaander oninteressant stadje. Maar heeft niet ieder mens zijn tedere gepeinzen aan het plekje waar hij ter wereld kwam?

Snippers van leven 1

Vertellingen uit het leven en het Gooi, Allerhande en Humor
Snippers van leven

 
Sinds onheuglijke tijden wentelt ons aardbolletje door het diepzwarte met sterren gespikkeld heelal.
Van de miljarden mensen die daarop leven en hebben geleefd, over hun handel en wandel, wel en wee zijn boeken te schrijven.
De inhoud met beschrijving van hun daden, woorden, gevoelens, liefde, haat, hoop vrees, enz. heel het boeiend exposé van het menselijk leven, zou bizarder, ongelooflijker of in wat voor superlatief ook beschreven zijn. Aan de goden is het vergund ze te lezen.
De verhalen en gebeurtenissen in de serie Snippers van Leven vertellen van familie, personen en gebeurtenissen waarmee ik te doen had. Voor zover het mijzelf betreft is het geen compleet en sluitend verslag, om het simpele feit dat de man die dit schrijft nog zijn rol meespeelt in het toneelspel dat “het leven” heet. Slechts een paar
handenvol heb ik uit mijn herinnering en jeugd gegrabbeld en dingen opgetekend, die ik bij anderen observeerde. Korte snippers waarmee ik u hoop te plezieren. Droevige zaken ontbreken, ook het persoonlijke verdriet. Het was er wel, maar dat stopte ik weg in het doosje der humor."Humor is een mooi doosje om verdriet in te bewaren".
Oprecht deed ik mijn best iets van die, heilige niet te definiëren zaak in en door het geschrevene te mengen. Niet de platvloerse humor der bulderende dijenkletsers, maar het milde, het stille, dat even hartverwarmend door het binnenste vaagt als een plotselinge zonnestraal over een donker landschap. Samen met muziek beurt het de
mens met tovervingers op boven de sleur van het allerdaagse en doet hem verwijlen in hoge, zon doorlichte ruimten waar alle aardse leed en kommer vluchtig vervaagt.

Niet altijd werd de kaarsrechte weg der waarheid aangehouden, omdat ik soms de verleiding niet kon weerstaan wat humoristisch franje toe te voegen. Hopelijk wordt mij deze “dichterlijke vrijheid” vergeven.
Wel, dat was het dan. Meer kan ik vooraf niet bieden. Zo u op het eind van deze serie  mocht zeggen; "Nou ja, het is zo zo", bedenk dan dat ik mijn best heb gedaan. Denk aan het wijze advies, gegeven aan de
gasten van een cowboysaloon in het Wilde Westen:

“ GELIEVE NIET OP DE PIANIST TE SCHIETEN, DE MAN DOET ZIJN BEST ”.

zondag 28 oktober 2012

Kerstverhaal voor kinderen: Pietje en Grietje

KERSTVERHAAL VOOR KINDEREN

PIETJE EN GRIETJE


Er waren eens twee eekhoorntjes, Pietje en Grietje. Mannetje en vrouwtje. Zij woonden in een heel groot bos. Zij hielden veel van elkaar, daarom waren zij de hele dag samen. Ook hielden zij veel van spelen en ravotten. Dat deden ze graag, vooral krijgertje spelen. Dan renden ze achter elkaar aan en klommen tegen de boomstammen omhoog. Tot boven in de kruin. En dan sprongen ze over in de kruin van een andere boom, zwevend op hun dikke pluimstaart. Zo leerden zij spelenderwijs aan vijanden, zoals de marter en de bunzing en de vos en de havik, ontkomen.
De zomer was voor hen de fijnste tijd. Er was dan volop voedsel en het zonnetje scheen zo heerlijk en toverde grote gouden muntstukken op het mos in het bos.
Het bos waarin zij leefden, was groot en stil. Tussen de hoge stammen der bomen hing een groene schemer. Vooral ’s zomers als het zonnetje maar moeilijk tussen de dichte bladeren kon kijken.
Helemaal donker was het in het dennenbos. De dennen stonden zo dicht op elkaar, dat de zon er nimmer scheen. Het was er zelfs midden op de dag geheimzinnig schemerig en om 4 uur in de middag al donker. Zij kwamen daar ook niet vaak. Alleen op het eind van de zomer om dennenappeltjes te verzamelen. Die hadden ze nodig voor hun kacheltje als straks de winter kwam.
De herfst was voor de twee eekhoorntjes een druk jaargetij. Dan moesten ze voedsel verzamelen voor hun wintervoorraad, kastanjes, eikels, beukennootjes en dennenappels. Die sjouwden ze samen naar hun huisje aan de bosrand. Het was een diep hol onder de grond. In de herfst maakten ze dat huisje klaar voor hun winterslaap. Die winterslaap duurde bijna vier maanden. Als de eerste koude novemberstormen door het bos raasden, dan kropen ze samen diep weg in hun huisje. Alleen de pijp van hun kacheltje stak boven de aarde uit. Als het buiten bitter koud werd, dan kwam voor hen een fijne tijd van knusse warme gezelligheid, veilig diep in hun holletje onder de grond, afgedekt door een dikke laag dorre bladeren. Al kletterde buiten de koude regen en striemende hagel, zij lagen heerlijk warm, slapend op hun bedje van mos. Behaaglijk opgerold met hun neus in de dikke pluimstaart en sliepen en sliepen…en sliepen, dagen en weken achter elkaar. Ook al gierde de stormwind nog zo hard boven hun hoofd, zij merkten er niets van.
Maar af en toe werden ze even wakker om wat te eten van hun voedselvoorraad. Daarna kropen ze weer fijn tegen elkaar om ongestoord verder te slapen. Ze kwamen dan ook zelden uit hun hol. Even maar, om een frisse neus te halen. Maar omdat alles kaal en koud was in het bos doken ze snel onder de grond.
Toen, op een koude winterdag in december, werd het mannetje wakker. Het was de dag voor Kerstmis, maar dat wist hij niet. Hij ging stilletjes naar buiten om zijn vrouwtje Grietje niet wakker te maken. De lucht was helder en het vroor een beetje. Pietje Eekhoorn voelde zich prettig en besloot een stukje buiten het holletje te gaan wandelen. Hij was stijf geworden van al dat slapen. Hij liep het open veld in dat aan de bosrand lag. Hier en daar stond een boom. Eigenlijk een beetje onverstandig van hem, want nu kon hij niet vluchten als er een roofvogel verscheen. In een boom klimmen ging niet zo snel en de boomkruin was kaal, zodat hij zich niet kon verstoppen.
Maar er gebeurde iets ergers. Het begon plotseling erg hard te sneeuwen! Dichte vlokken dwarrelden neer en bedekten alles met een wollige witte laag. Ook de weg terug naar zijn huisje onder de grond was spoedig met een dikke laag sneeuw bedekt. Wanhopig liep hij rond en zocht en zocht, maar kon de weg niet meer terugvinden. Hij was verdwaald. Hij werd koud en het werd al wat donker.
Moe van het dwalen ging hij zitten onder een boom en bad: “O lieve Heer in de hemel, wilt U mij bij Grietje terugbrengen? Help mij alstublieft, alstublieft!!”
In het holletje was ook Grietje wakker geworden. Zij voelde naast zich, maar Pietje was er niet. Zij schrok. Waar kon hij zijn? Zij klom naar boven en stond in de warrelende sneeuwvlokken. Waar was haar mannetje? Ze riep zijn naam, maar kreeg geen antwoord. O wat werd ze ongerust. Waar in die dichte sneeuw moest ze hem zoeken? Zij voelde dat hij in groot gevaar was, maar wat kon zij doen? Pietje zou daar zeker doodvriezen als zij hem niet spoedig vond.
Toen kreeg ze een idee. Ze ging naar binnen en bad ook om hulp.
“Lieve Heer”, bad zij, “wilt U zorgen dat mijn lieve mannetje de weg terug mag vinden? O help ons alstublieft!”
Ver boven de besneeuwde wereld was de hoge heilige hemel waar onze hemelse Vader woont. En dwars door het dichte sneeuwgordijn stegen de gebeden van Pietje en Grietje naar boven tot aan de troon van God. En Hij hoorde hen, zoals Hij altijd luistert als wij in nood tot Hem bidden. Zo luistert hij vooral naar de gebeden van kinderen en van dieren, want van beiden houdt Hij extra veel. En Hij riep één van zijn speciale engelen tot zich, een Kerstengel, die Hij vaak met Kerstmis naar beneden zond. Die kreeg opdracht Pietje en Grietje te helpen.
De engel daalde vliegensvlug naar beneden tot in het huisje van de eekhoorntjes. Maar hij had zich eerst onzichtbaar gemaakt, zodat Grietje hem niet zag. Wel hoorde ze zijn stem.
Hij fluisterde in haar oor: “Neem wat mos van jullie bedje. Maak dat nat. Stook het kacheltje goed op met dennenappels en leg het mos daarop!”
Grietje deed zoals hij gezegd had. Toen de kachel goed brandde, legde ze het natte mos erop. Er kwam een dichte rookwolk uit de kachelpijp, die duidelijk afstak tegen de sneeuw.
Nu ging de engel ook naar Pietje, die nog steeds moe en verkleumd van de kou onder de boom zat. Hij had eigenlijk de moed al een beetje opgegeven.
“Ik zal mijn lieve vrouwtje wel nooit meer terug zien,” snikte hij, “O was ik toch maar niet zo dom geweest om zo ver van ons warme holletje af te dwalen. Nog even en dan is het helemaal donker en dan komt de nacht en dan vries ik dood!”
Maar opeens hoorde hij iets. “Klim in de boom”, zei een zachte stem, “En kijk goed rond”.
Verbaasd krabbelde Pietje overeind en deed wat die stem gezegd had. Hij klom hoog in de boom en keek naar alle kanten. En daar, opkringelend boven de sneeuwlaag, zag hij bij de bosrand een zwarte rookpluim. Hoera! Daar was hun huisje! Gered!!
Hij klom vliegensvlug naar beneden. Met zijn vacht dik besneeuwd, stormde hij bij Grietje naar binnen. O wat was het daar heerlijk warm. Zij omhelsden elkaar en dansten van vreugde in het rond. En daarna dankten zij hun hemelse Vader. Toen kropen zij blij en tevreden tegen elkaar en sliepen weer in. En buiten in de besneeuwde kerstnacht beierden de kerkklokken. Christus was geboren. Hij, de redder van alle mensen en naar ik vast geloof, óók van de dieren!

Theo Baalman

Kerstmis 2015

KERSTMIS 2015


Het was een paar dagen voor kerstmis. Ik was in mijn luie stoel ingedut en opeens stond een engel voor mijn neus. Een kerstengel, dat zag ik direct, want de boord van zijn witte hemd was geborduurd met kerstsymbooltjes, dennetakjes en kaarsjes. En hij had krullend wit haar, precies als het engelenhaar op mijn kerstboom.
"Awel Zunne" sprak hij, want hij bleek van Vlaamse afkomst, "Wordt ter 's wakker. Ik zal oe wa schoons laoten zien} Kek d'r maor 's goed. Kersemis zo as 't 'r nou in de eiwigheid toa goat. Joa manneke, da's wa 'aanders dan da valse glitterspulleke vroager mee al tie vrome zemelkloterij!.
En zo opende hij voor mijn ogen een geweldig visioen. Begeleid door die hemelse Vlaming wandelde ik door een wonderschone nieuwe wereld. En ik zag en zie, het was weer Kerstmis en het jaar was 2015. Net als vroeger werd de geboorte van de Verlosser gevierd die nu als Koning regeeerde(1) Maar Zijn verjaardag lieten de mensen, waar weinig van over waren, (2) zich niet afpakken. Daarom werd die ondanks dat er geen tijd meer bestond, uitbundig gevierd.
Die nieuwe wereld was totáál anders. Geen miezerige regen of klamme mist. Nee, nu was het zoals miljoenen kerstkaarten uit de oude wereld het lieten zien. Romantisch, met dikke pakken sneeuw tot vreugd voor jong en oud, hoewel ouden waren er niet, want de dood was niet meer(3) Omdat de mensen nu in een paradijs leefden was alles prettig en heerlijk. Warme appelbollen hingen aan de bomen, fondantijs lag op de vijvers en gebraden kalkoenen vlogen op hun vleugelstompjes rond. Overal brandende kaarsjes die nooit opsmolten.. Arrensleden bespannen met rendieren en tinkelende belletjes zoefden rond. Langs de besneeuwde bosrand stonden huisjes met goudig licht achter de raampjes. Oude kerkgebouwtjes met witte daken vol poedersneeuw. lieten hun klokken luiden. Bronzen stemmen, deinend over het besneeuwde land en opstijgend naar een schitterende sterrenhemel, veel schoner dan voorheen. Want er was een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (4) Dominees en priesters predikten niet meer in die kerkjes. Want de "geloven" waren afgeschaft, omdat van al die geloven weinig klopten. Nu wist iedereen zeker hoe het in elkaar zat en als je iets zéker weet kun je "geloven" een schop geven.
Er waren grote veranderingen. Regeerders waren er niet meer. Wel enkele oude regeerders, zeldzame goede politici, nu met een erebaantje omdat zij op hun manier eerlijk hadden getracht er iets goeds van te maken. Zo zag ik Jan Pronk aangesteld bij het puinruimen. In de oude werteld altijd een man geweest van "opgeruimd staat netjes". En ex minister van gezondheid Klink, die lieverd, deelde geneeskrachtige bladeren uit van de Boom des Levens (5) En ex minister Eurling was zielsgelukkig. Geen files, geen opstoppingen. Hij mocht hemels verkeer regelen via tolpoortjes waarboven groene en rode lichtjes knipperden. Rita Verdonk verzorgde Inter Stellaire Emigratie naar andere planeten. Zéér noodzakelijk! Want nu de dood er niet meer was, zouden de mnsen elkaar vertrappen. Alleen al twee echtparen zouden volgens de som der tweede macht, 2-4-8-16-32 enz. binnen 40 generaties 1.855.425.871.834 nakomelingen hebben. Allen onstervelijk! Dat zou, met al die opgestane doden(6) dringen geblazen worden. De verre vluchten naar verre werelden regelde zij met Vliegende Schotels , die "raderen" werden genoemd ( 7) Zij waren in 2 en 4 personen uitvoering en hele grote de 70 personen Schotel bussen. Ook zag ik daar Wim Kok. Veroordeeld om in eeuwigheid een grote zak, kwartjes tegen een berg op te duwen. Zwetend op de top aangekomen ontglipte de zak hem en moest hij weer opnieuw beginnen. Albayrek die het generaal pardon voor assielzoekers had gesabotteerd, was verbannen naar een Zwart Gat in de Melkweg. Slechte regeerders, dictators, en geestelijke misleiders die de boel zo lang belazerd hadden, grote criminelenen, dieven, moordenaars en hoereerders werden gefondued in de poel die brand van vuur en zwavel.(8)
Ook politici, landelijke bestuurders, burgermeesters van bedenkelijke reputatie, kregen er van langs. Zij werden "herschoold" Dat ging straf toe! De engel opende een deur en zei."Luster goed Zunne" Ik luisterde en hoorde doffe kreten en het geluid van stokslagen. De engel grinnikte. "Den deë" zei hij "Krijgen billenkoek. Want ze hebbe d'r mee de mutse noar gemikt en kregge nou unne aandere lering!" En hij zong mee met het rithmisch geklop, "Klits, klats, klaandere. Van de ene bil op den aandere"
Overal was licht, maar lampen zag ik niet Philips bestond niet meer, want verlichting was daar niet nodig(9) Ook film en TV( het Beeld van het Beest) was niet meer (10) geen Sofinummers, Pincodes en andere merktekens (11) En alle mensen waren stralend blank,gelijk eens Mozes(12) Dus geen gemier meer van rascisme en zwarte pieten. Sinterklaas en de Kerstman waren gehuwd en woonden in een knus paleisje aan de Melkweg. Geert Wilders was hertrouwd met een Moslima! De mensen die daar kerstfeest vierden droegen geen smokings of baljurken. De mode bestond niet meer. Ook geen cosmetica! Alle vrouwen waren slank, jong en mooi en hadden geen opsmuk en versierselen meer nodig. Maar waren wél eerst flink gestraft en vernederd (13) Alle mensen waren nu gekleed in witte gewaden en aten vette mergrijke spijs besproeid met goede belegen wijnen.(14) Het meest hartverwarmend was de liefde en eenheid alom. Er was waarlijk vrede op aarde. Petrus, Mohammed, Boeddha en Kofi Anan, de hoge VN baas waren portier bij de hemelse stad. Die Hemelse Stad was een optrekje van 12000 stadiën, dat is zo'n 2200 kilometer in het vierkant en hoogte. Een gigantische Piramide die het Nieuwe Jeruzalem werd genoemd. En dat nooit op de plaats van het oude Jeruzalem kon staan omdat het groter is dan Europa! (15) En overal was heerlijk helder water, komend diep uit de aarde( 15) Want de aarde bleek net als de mens uit 70% water te bestaan. Een enorme bol waarop de continenten dreven(16). Dus de klunzen van geleerden zaten er goed naast. Wat nog meer? O ja, goud, het zweet van de zon en zilver, de tranen van de maan was er ook niet meer en paarlen, fijn linnen, ivoor en allerlei kostbaarheden, want de grote stad Babylon waar dat alles werd verkocht, is verwoest(17)
Nog iets leuks in dat stralend mooie oord met parelwitte stranden en blauwe luchten, in dat super vacantieoord werd niet gewerkt. Ik zag alleen Wouter Bos, ex minister van Financiën daar kamertjes behangen met Euro Biljetten. Maar dat was een straf omdat hij met belastinggeld Sinterklaas gespeeld had!
En toen...en toen...schoot ik wakker. En zie het was maar een droom!

1. (Openbaring. 20: 4) 2. (Jesaja 13:12) 3. (Openbaring.21:4) 4. Openbaring. 21:1) 5. (Openbaring. 22:2) 6. (Ezechiël.37:1-4) 7. Ezechiël. 1:4-21)
8. (Openbaring. 21:8) 9.Openbaring. 21:23) 10. (Openbaring. 13:14) 11. (Openbaring. 13:16-18) 12.(Exodus 35:29) 13. (Jesaja 3:16-4:1)
14. (Jesaja 25:6) 15. (Openbaring.
21:9-20) 16 ( 104:6 Psalm - Petrus 3:5-6) 17. (Openbaring.18:11-16)
Th.G.Baalman, Kortenhoef 2010

theobaalman@gmail.com

vrijdag 19 oktober 2012

De Zwerver

DE ZWERVER

Des morgens is Hij langs gegaan.
Bleef hier en daar ’n wijle staan.
Maar niemand heeft Hem opgemerkt.
De mens, die keek niet om….hij werkt.

Des middags, helle schittering
van zon, die heet te branden hing.
Nog geen die van Zijn aandacht weet.
De mens, die keek niet op….hij eet.

Des avonds , straten recht en leeg.
Geen een van wie Hij aandacht kreeg.
Want veilig warm in ’t huis’lijk stee,
de mens, hij rust en kijkt t.v.

Des nachts, achter een zolderraam,
daar vouwt er een de handjes saâm.
En verdergaand weet Hij nadien,
een kind, die heeft Hem toen gezien.