vrijdag 15 februari 2013

Snippers van leven 30 - Buren

Verderop langs de gracht woonde, in het oog springend door zijn uiterlijk en alom bekend om zijn fabelachtige leugentechniek: “Ome Henk”. Hij was broodvisser en eigenaar van een vloot wrakke roeibootjes. Zijn bijnaam was “Henk de Leugenaar”, want de man kon liegen of hij daar wat voor innam. Zo vreemd was die veronderstelling niet. Vooral als hij bij de Blauwkop was geweest en er een zoetig luchtje om hem heen walmde, waren zijn verhalen fantastischer dan ooit. Bij zo’n gelegenheid vertelde hij mij de droevige geschiedenis van de verdronken karper.

Zolang ik hem heb gekend, droeg hij ’s zomers en ’s winters een zware blauwe trui, gebreid van vingerdikke wol, die zijn gedrongen gestalte de dimensie gaf van een gestopte worst. Hij droeg een grof Manchesterbroek vol teervlekken en visschubben, waarvan het kruis bijna tot zijn knieholten reikte. Op zijn getaand hoofd plakte een doorzweet, door de tijd, vormloos gedeformeerd vettig hoedje. Als een grote klont stopverf waarin een klodder paars was gemengd, stond zijn brede Zoeloe-neus onder een paar ronde walrusogen. Hij bezat ook de snor van dat dier en geluidsvolume. Zijn schorre stem kon over het stille grachtje loeien dat het water er van rimpelde.

Als je hem wilde geloven dan haalde hij brasems, karpers, snoeken en palingen op uit Gods binnenwateren, die daar qua afmetingen ten onrechte verblijf hielden. De keren dat hij urenlange gevechten had geleverd met deze, door kracht en kaliber eigenlijk in de Oceaan thuishorende monsters, waren niet te tellen. Bekend was dat hij meer dan eens een takel had moeten bezigen om ze uit het water te hijsen. Karpers van ontilbaar gewicht met de trekkracht van een klein sleepbootje, palingen ter dikte van mannenpolsen en snoeken die een kano door midden konden bijten: hij had ze allemaal eens gevangen!
De monstrueuze dieren bezaten lelijke karaktertrekjes. Zo kon hij vertellen van die paling als een kleine python, door hem betrapt terwijl ze van de aardbeien vrat die hij verbouwde op een klein eilandje in de Zoute Gracht. Na een verschrikkelijk tweegevecht, waarbij een bijl aan te pas moest komen, had hij het monster tot panklare moten gehakt.
Vaak voer hij het haventje op en neer met aan een scharnierende installatie, een zéér groot net waarmee hij zéér kleine visjes ving. Die verkocht hij als aasvisjes aan de sportvissers, inclusief gratis advies hoe ze de grootste snoeken konden vangen.
Palingroken kon hij als de beste. Wel moest mijn moeder deuren en ramen sluiten en werd het weinige verkeer over het grachtje omgeleid. Hij ventte ze zelf uit en brulde met stentorstem door de straten: “Paling!! Gerookte paling!! Uit de Koningin der tuin!!!”

Op het water en vooral ‘s nachts bij het palingpeuren, maakte hij barre avonturen mee. Eens verzeilde hij in zo’n dichte mist dat hij met de “zicht”, een klein soort zeis om gras mee te maaien, er een tunnel in had moeten hakken om er uit te komen. En een ieder die het horen wilde, kon het ongelooflijke verhaal vernemen van de nog brandende kachel die, net tevoren van een passerend schip was gevallen en door hem opgevist.
In de barre winter van 1929 toen er, naar hij zei in mei nog een halve meter ijs in de sloot lag, was het zo koud geweest, dat zijn kunstgebit na het ter bedde gaan nog tien minuten lag te klapperen op het nachtkastje. En eenmaal had hij ‘s nachts zo’n hoge koorts gehad, dat er ‘s morgens schroeivlekken in het laken zaten. Hij kon zijn ongelooflijke verhalen grif kwijt aan mijn goedgelovig kinderoor en dat waardeerde hij.

Ome Henk was een heerlijk figuur, een zo’n formidabele leugenaar dat de beroemde leugenbaron von Münchhausen er een zielige amateur bij was.
Bij mooi weer zat Ome Henk tegen het talud van het Haventje en repareerde zijn netten. Ik keek toe hoe zijn vereelte vingers vlug en vaardig met het garen omgingen. Als hij in een goede stemming was door een aantal “pikketanissies” (Bargoens voor borrels) binnen zijn blauwe trui, vertelde hij de meest fantastische verhalen. Die werden met zoveel eerlijke overtuiging opgedist, dat ze absoluut geloofwaardig waren en het kwam zelfs niet bij mij op aan zijn waarheidsliefde te twijfelen. Met illustratief gebarende handen en de vlekkeloze mimiek van een kundig pantomime speler, voerde hij met korte vraagjes als: “Wat dochie wat ik zag? Of  “Wa’ dochie jochie wat?”, de spanning tot zinderende climax op. Op die vragen bleef ik altijd het antwoord schuldig. Mijn prille kinderfantasie kon zijn grote leugenstappen niet bijbenen. Hulpeloos, met ronde verbaasde ogen staarde ik hem ademloos vol verwachting aan.


Met treurig gelaat vertelde hij eens het verhaal van die legendarische karper. Hij had het enorme, onbetamelijk zware en sterke beest, na lange afmattende strijd gevangen. Toen hij het eindelijk in de boot had, was hij getroffen door de diep menselijke manier waarop de vis hem aankeek. Het ontroerde hem en hij besloot het in leven te houden.
Karpers zijn zeer sterk van constitutie. Maar deze bleek een waarlijk onverwoestbaar gestel te bezitten. Want het lukte hem, door het met steeds langere tussenpozen uit het water te laten, het dier geheel aan water te ontwennen. Nou ja, er ging onbehoorlijk veel tijd in zitten natuurlijk, maar op het laatst had hij het zover dat het op buik en vinnen achter hem aanschuifelde!
Helaas, tijdens zo’n tochtje over de gracht (het had zwaar geijzeld) gleed het stomme dier uit en viel in het water waar het roemloos verdronk. Hij had er bij staan huilen als een kind om het dier dat als een hondje aan hem gehecht was geraakt.

Ome Henk is heengegaan, het grachtje vervallen en verlaten. Zijn vloot roeibootjes verdween. Alleen de knotlinden waartussen eens de netten met kurken drijvers spanden, staan er nog. Ze buigen hun kruinen vermoeid naar het groenige, vervuilde water, als mijmeren ze over vervlogen goede oude tijd. Verderop, waar eens het woonschuitje van de “Pieperboer” lag, is de kademuur verbrokkeld, met vettig mos begroeid en het talud door gras overwoekerd.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten